Een speurtocht geeft het schoolreisje een rode draad en houdt groepjes bezig zonder dat begeleiders overal tegelijk hoeven te zijn. Op deze pagina vind je acht opdrachten die je meteen kunt gebruiken en een aanpak die werkt voor een hele klas.
Op een schoolreisje wil je dat kinderen bezig zijn, samenwerken en niet als een kudde achter de leerkracht aanlopen. Een GPS-speurtocht lost dat op: elk groepje loopt zijn eigen route en krijgt op vaste punten een opdracht. Je hebt een telefoon per groepje nodig, een gebied met duidelijke grenzen en zo'n 30 tot 45 minuten voorbereiding om de punten uit te zetten en de opdrachten in te vullen. Let bij het kiezen van de locatie op verkeer, water en plekken waar groepjes elkaar kwijt kunnen raken. Houd de opdrachten kort, zodat een groepje van zes er in twee tot drie minuten doorheen is en de tocht binnen anderhalf uur klaar is.
| Groepsgrootte | groepjes van 4-6, hele klas tegelijk |
|---|---|
| Duur | 60-90 minuten |
| Leeftijd | 6-12 jaar |
| Waar | park, bos, strand of terrein van de bestemming |
| Voorbereiding | 30-45 minuten |
| Nr. | Opdracht | Zo werkt het |
|---|---|---|
| 1 | Groepsfoto met een voorwaarde | Het groepje maakt een foto waarop iedereen staat én iets rood te zien is dat ze ter plekke hebben gevonden. De begeleider mag niet op de foto, dus een kind moet de telefoon bedienen. |
| 2 | Tel de bankjes | Tussen dit punt en het volgende telt het groepje alle bankjes, lantaarnpalen of prullenbakken. Bij het volgende punt vullen ze het aantal in; jij hebt het juiste getal vooraf geteld of geschat op de kaart. |
| 3 | Vijf verschillende bladeren | Zoek binnen drie minuten vijf bladeren die duidelijk van elkaar verschillen en leg ze op een rij op de grond voor een foto. Werkt in elk park of bos, ook in het najaar. |
| 4 | Menselijke letter | Het groepje vormt met hun lichamen op de grond de eerste letter van de schoolnaam. Een kind maakt de foto van bovenaf, bijvoorbeeld staand op een bankje. |
| 5 | Eén minuut stil | Iedereen zwijgt een minuut en luistert. Daarna noteert het groepje vijf verschillende geluiden die ze hebben gehoord, zoals een vogel, verkeer of een andere klas. |
| 6 | Vraag over het informatiebord | Zet het punt bij een bord, plaquette of naambordje en stel een vraag waarvan het antwoord erop staat, zoals een jaartal of een naam. Kinderen moeten dus echt lezen in plaats van gokken. |
| 7 | Tien keer springen op film | Het hele groepje springt tegelijk tien keer op de plek terwijl één kind filmt. Het filmpje is het bewijs; de opdracht zorgt voor beweging na een stuk lopen. |
| 8 | Schat je stappen | Voor ze vertrekken schat het groepje hoeveel stappen het is naar het volgende punt. Onderweg tellen ze mee; bij aankomst vullen ze in hoe dicht de schatting zat. |